Home Projecten

Vitale (Value & Innovation through asset life time extension)

Value & Innovation Through Asset Life-time Extension (ontwikkeling van een referentiemodel voor levensduurverlengend onderhoud)

Naast het acroniem, staat VITALE ook voor het vitaliseren van de snel verouderende bedrijfsmiddelen in de Nederlandse industrie. Er is gekozen voor een Engelstalige projectnaam, omdat er inmiddels ook interesse is getoond vanuit de internationale onderhoudsmarkt.

Het project is mede ontwikkeld onder de vlag van World Class Maintenance; dit komt onder andere tot uiting in de projectdeelnemers en de ondersteuning vanuit de World Class Maintenance-organisatie bij de opzet van het project. De beoogde projectresultaten zullen breed verspreid worden in het netwerk van World Class Maintenance, waarbij inmiddels meer dan 200 bedrijven (grootbedrijf, MKB en onderwijs- en kennisinstellingen) zijn aangesloten. Dit programma heeft brede steun en draagvlak van nationale, regionale en lokale overheid gezien de economische groeikansen voor de Nederlandse onderhoudssector.

Activiteit 1 'Ontwikkelen concept-model'
De eerste stap in het project is de ontwikkeling van een concept-model. Het concept-model wordt ontwikkeld op basis van vrij beschikbare methoden en technieken voor levensduurverlengend onderhoud. Denk hierbij aan methoden en technieken als Integrated Logistic Support (ILS), Life Cycle Costing (LCC) en Mid Life Upgrade (MLU). Deze methoden en technieken worden verzameld door desk research en ingebracht door de participerende kennisinstellingen (Erasmus Universiteit en Maintenance Consult van professor K. Smit). Bij de desk research wordt gebruik gemaakt van meerdere algemeen toegankelijke bronnen, zoals het literatuur, vakbladen, internet en seminar papers. Vanuit de doelstelling van levensduurverlenging van assets wordt bepaald welke aandachtsvelden minimaal moeten terugkomen in een nieuw te ontwikkelen referentiemodel en in welke gradatie. Dit noemen we het framework. Hierbij wordt gekeken naar ontwikkelingen op verschillende gebieden binnen het bedrijfsleven: financieel, technisch, bedrijfskundig, wet- en regelgeving, etc. Van de vrij beschikbare methoden en technieken wordt bepaald wat de kritische en/of onderscheidende elementen zijn en hoe deze binnen het framework geplaatst kunnen worden. Hieruit volgt een eerste, algemene invulling van de aandachtsvelden binnen het framework (het concept-model) en kan worden bepaald in hoeverre de beschikbare methoden en technieken de doelstellingen van het referentiemodel reeds invullen. Daar waar de aandachtsvelden onvoldoende kunnen worden ingevuld met bestaande methoden en technieken ontstaat de noodzaak tot nieuwe ontwikkelingen (innovatie). De kans bestaat dat deze innovatie reeds heeft plaatsgevonden in het Nederlandse bedrijfsleven. Vandaar dat binnen activiteit 2 de inventarisatie van best practices bij de deelnemende bedrijven plaatsvindt. Binnen het concept-model zal er tevens aandacht worden besteed aan de ontwikkeling van een dashboard met Key Performance Indicatoren (KPI's). Dit dashboard kan door beheer- en onderhoudsorganisaties gebruikt worden om het proces van levensduurverlenging te besturen. Dit dashboard zal ook gebruikt worden voor het benchmarkonderzoek in activiteit 3. De ontwikkeling van KPI's volgt een vergelijkbare aanpak als de ontwikkeling van de hierboven genoemde aandachtsvelden. Op basis van algemeen beschikbare bronnen en de aanwezige kennis en ervaring binnen de betrokken kennisinstellingen wordt een concept KPIreferentiekader opgesteld. De doelstelling is om KPI's te ontwikkelen die branche-onafhankelijk zijn. Ook de concept-KPI's worden getoetst aan de hand van in de praktijk toegepaste KPI's bij de deelnemende bedrijven. Naast de KPI's worden professionaliteitniveaus ontwikkeld voor de verschillende aandachtvelden binnen het concept-model. Deze professionaliteitniveaus geven aan welke voorwaarden moeten zijn ingevuld om als organisatie aan te tonen dat een bepaalde professionaliteit binnen levensduurverlengend onderhoud is bereikt. Dit is een kwalitatieve beoordelingsmethode naast de kwantitatieve methode van KPI's. Het concept-model zal, aangevuld met de best practice-toepassingen bij de deelnemende bedrijven (zie activiteiten 2 en 3), in activiteit 4 doorontwikkeld worden tot het beoogde referentiemodel.

Activiteit 2 'Inventariseren best practices'
De participerende bedrijven brengen eigen best practices in voor levensduurverlenging. Validatie van deze best practices op kwalitatieve en kwantitatieve aspecten vindt plaats op basis van het concept-model. Dit gebeurt via integrale workshops met materiedeskundigen van de deelnemende bedrijven. Op basis van het concept-model worden aan de materiedeskundigen van de deelnemende bedrijven vragenlijsten voorgelegd om de toegepaste methodieken en technieken kritisch binnen het bedrijf in kaart te brengen. Bekeken wordt in hoeverre hierbij gebruik gemaakt is van (varianten op) algemeen beschikbare methodieken, technieken en KPI's. Daarnaast wordt bekeken wat de branche specifieke elementen in deze toepassingen zijn en in hoeverre deze toegepast kunnen worden in andere branches. Middels deze inventarisatie kan worden bepaald welke methodieken, technieken en KPI's in de praktijk de 'best practice' zijn en zodoende in het referentiemodel moeten worden opgenomen. De resultaten van de inventarisatie van best practices worden in verschillende workshops teruggekoppeld aan de materiedeskundigen van de deelnemende bedrijven. Per workshop worden een aantal aandachtsgebieden uit het concept-model besproken en vindt besluitvorming plaats. Aangezien het referentiemodel vanuit verschillende gezichtspunten (financieel, technisch, bedrijfskundig) wordt opgesteld en meerdere inhoudelijke aandachtsgebieden aan elkaar gaat koppelen, zijn meerdere workshops noodzakelijk om tot goed onderbouwde en gedragen uitwerkingen te komen.

Activiteit 3 'Benchmark onderzoek'
Uitgaande van het concept-model worden de ingebrachte best practices beoordeeld vanuit kwalitatief perspectief (aan de hand van een professionaliteitsmatrix) en vanuit kwantitatief perspectief (aan de hand van KPI's). Dit benchmarkonderzoek, dat exclusief voor de deelnemende bedrijven is, geeft inzicht in:

  • Het huidige prestatieniveau op levensduurverlengend onderhoud vergeleken met dat van andere onderhoudsorganisaties
  • Geïdentificeerde verbeterpunten en voorgestelde verbeteroplossingen
  • Het economische waardepotentieel van levensduurverlengend onderhoud voor de eigen organisatie

De uitvoering van het benchmark onderzoek vindt plaats met behulp van vragenlijsten en interviews. Deze interviews worden per deelnemend bedrijf afgenomen met de aanwezige materiedeskundigen. Om de interviews zo efficiënt mogelijk te laten verlopen worden ter voorbereiding op de interviews vragenlijsten toegezonden. Voorafgaand aan de interviews wordt de informatie verstrekt aan de interviewers, zodat gerichte toetsingsvragen kunnen worden gesteld en de geleverde kwantitatieve informatie gevalideerd kan worden. De toetsing en validatie van de kwalitatieve en kwantitatieve informatie is van groot belang om een duidelijk, consistent beeld te krijgen van huidige prestaties op het gebied van levensduurverlengend onderhoud per bedrijf en over de gehele groep van deelnemende bedrijven. De gegevens worden verwerkt in een database die is gebaseerd op de ontwikkelde KPI's en is gebaseerd op verder te ontwikkelen professionaliteitniveaus binnen de aandachtsgebieden van het concept-model. Uiteindelijk worden de benchmark gegevens verwerkt tot: 1. Algemene survey over levensduurverlengend onderhoud binnen Nederland. Deze wordt gebruikt om in activiteit 5 om de toegevoegde waarde van het referentiemodel levensduurverlengend onderhoud te kunnen positioneren. 2. Bedrijfsspecifieke benchmarkanalyse waarin voor elke deelnemend bedrijf het verbeterpotentieel inzichtelijk gemaakt wordt en verdere verbeteringen in gang kunnen worden gezet. Concurrentiegevoelige informatie wordt geanonimiseerd, zodat alleen de eigen bedrijfsprestaties inzichtelijk worden.

Activiteit 4 'Uitwerken referentiemodel'
De ingebrachte best practices uit activiteit 2 worden geclusterd en verwerkt tot een referentiemodel. De uitwerking van het referentiemodel vindt plaats via interactieve workshops, integraal met alle participerende bedrijven. Het vaststellen van het referentiemodel voor levensduurverlengend onderhoud geschiedt door de participanten. Dit vereist de inbreng vanuit kennis en ervaring door participerende bedrijven, instituten en kenniscentra. De uitkomsten uit activiteit 3 'Benchmark onderzoek' zijn voor de definitieve uitwerking van het referentiemodel van belang vanwege de prestaties die hiermee zijn behaald. Binnen het benchmark onderzoek wordt getracht een link te leggen tussen het gebruik van bepaalde best practices en de uiteindelijke prestaties in de praktijk. Hierdoor wordt mede op basis van 'bewezen best practices' (lees: feiten) het definitieve model ontwikkeld en niet op basis van 'onderbuik gevoel'. De koppeling van deze benchmark resultaten aan het concept-model is noodzakelijk om in de genoemde integrale workshops definitieve besluiten te kunnen nemen door de deelnemende bedrijven. Na deze besluitvorming volgt de definitieve uitwerking van het referentiemodel in de vorm van een publicatie. Deze publicatie zal een uitgeschreven versie zijn van het ontwikkelde model, inclusief verantwoording over de totstandkoming ervan. Aangezien het een algemene publicatie betreft, zal de grootste zorg worden besteed aan inhoud, leesbaarheid en lay out. De uitwerking van de publicatie zal onder toeziend oog van een redactieraad gaan plaatsvinden. Deze publicatie is de leidraad aan de hand waarvan belanghebbende organisaties het VITALE-referentiemodel voor levensduurverlengend onderhoud kunnen toepassen in de praktijk.

Activiteit 5 'Kennisdeling'
Het eindrapport, inclusief algemene conclusies, wordt tijdens een seminar gepresenteerd. Het seminar wordt gehouden medio 2010. Voor de organisatie van het seminar zal nauw samengewerkt worden met brancheorganisaties als NVDO, Profion en WCM. De doelstelling van dit seminar is het presenteren van het ontwikkelde referentiemodel, de toepasbaarheid ervan in de praktijk en de uitkomsten uit de benchmarkstudie naar levensduurverlengend onderhoud in Nederland. Naast algemene presentaties waarmee de bovengenoemde doelstellingen worden bereikt, kunnen ook praktijkcases worden gepresenteerd die ingaan op (delen van) het referentiemodel en de daarmee behaalde prestaties in de praktijk. De uit te geven publicatie van het referentiemodel geeft in algemene zin aan hoe dit model kan worden toegepast. Tekst en uitleg over het daadwerkelijke gebruik en toepasbaarheid ervan vergemakkelijkt de introductie binnen bedrijven. Hiervoor kunnen workshops worden ingezet. Via publicaties onder de vlag van World Class Maintenance wordt het referentiemodel verder onder de aandacht gebracht. Hierbij valt te denken aan het plaatsen van artikelen in branchemagazines en overige vakliteratuur. Activiteit 6 'Programmamanagement' Het programmamanagement zal worden ingevuld door Mainnovation. Mainnovation is verantwoordelijk voor inhoudelijke en financiële rapportages richting SenterNovem, voor bewaking van de projectvoortgang en opleveren van deelresultaten. Mainnovation is ook verantwoordelijk voor alle interne communicatie tussen de deelnemers en externe communicatie met overige belanghebbende als Profion, WCM en NVDO. Middels het inzetten van een programmamanager worden bovenstaande activiteiten gecoördineerd. Daarnaast wordt een stuurgroep samengesteld met vertegenwoordigers uit de hierboven genoemde belangorganisaties. Via periodiek overleg met deze stuurgroep wordt de voortgang, kwaliteit en oplevering van deelresultaten bewaakt. Het draagvlak bij de deelnemende bedrijven zal regelmatig worden gemonitord via telefonisch contact en vragenlijsten.

MKM (Maintenance Kennis Management)

Op korte termijn worden veel bedrijven geconfronteerd met het vertek van oudere (ervaren) werknemers. Naast een tekort aan personeel dreigt hiermee ook een grote hoeveelheid aan praktijkervaring en kennis het bedrijf te verlaten.

Om de kennis niet verloren te laten gaan maar zelfs te versterken, is Kennismanagement nodig.

Het MKM-project zal invulling geven aan deze noodzaak in de vorm van het opstellen en publiceren van een (EU-NL) richtlijn voor het consistent, volledig en tijdig vastleggen van informatie voor adequaat onderhoud. Daarnaast zullen de hiervoor noodzakelijke kennis en competenties vastgelegd worden.

Kenmerkend voor dit project zijn:

  • Modulariteit
  • Standaardisatie
  • Toegenomen veiligheid
  • Cross-sectoraal toegankelijk
  • Verbeterde uitwisselbaarheid
  • Toegenomen betrouwbaarheid
  • Betere controle op impact milieu
  • Minder tijd interpretatie van informatie
Lees hier meer over MKM

BAC (Business Accelerator Woensdrecht)

Korte projectomschrijving

Het ontwikkelen van nieuwe bedrijvigheid in Nederland wordt steeds complexer. Er dient snel ingespeeld te worden op nieuwe business kansen en onze kennis moet zich onderscheiden van het buitenland en opkomende landen.

In dit nieuwe project worden een aantal nieuwe ontwikkelingen binnen de luchtvaartsector samen met andere bedrijven vertaald in nieuwe economische bedrijvigheid en het versterken van de kennisontwikkeling die breder toepasbaar is.

bac

Deel projecten:

EKC2

De haalbaarheidsstudie van het EKC project van 2009 is succesvol afgerond. Uit dit onderzoek is gebleken dat een Europees Kenniscentrum voor Composieten haalbaar en wenselijk is.

Nu gebleken is dat een EKC haalbaar en wenselijk is, bestaat de volgende stap uit het ontwikkelen van een EKC. Daarom wordt gewerkt aan een meerjarig vervolgproject EKC2. Het EKC2 wordt als bedrijf opgezet: EKC NL B.V. Deze wordt gevestigd en verbonden aan de Campus ontwikkeling te Woensdrecht.

ELKINA

Het Elektrisch Kennis en Innovatie Centrum Aviolanda (ELKINA) is een programma ten behoeve van Open Innovatie en Businnes Development binnen een Kennis en Innovatie centrum voor Electrische systemen en installaties. ELKINA zal een sleutelrol hebben en als voorbeeld gaan fungeren in de campusontwikkeling van Aviolanda en Zuid West Nederland.

Lees hier meer over BAC

I2O

Korte projectomschrijving:

Het doel van het I2O project is om op een eenvoudige laagdrempelige wijze onderhoudsdata te presenteren. De presentatievorm moet aanspreken bij de nu opgroeiende generatie.

De te ontwikkelen technologie kan gebruikt worden voor onderhoudsactiviteiten aan elektrische installaties van meerdere bedrijfstakken, zoals infrastructuur, procesindustrie, scheepsbouw, automobiel industrie, trein industrie en luchtvaart.

Betrokken bedrijven, kennis- en onderwijsinstellingen:
Fokker Elmo BV, TTA International, AVANS Hogeschool, Katholieke Hogeschool Brugge Oostende, Nationaal Lucht- en Ruimtevaart Laboratorium (NLR), Concepts & Services Consultancy, NuFormer.

De informatie die voor onderhoudsactiviteiten gebruikt wordt bestaat enerzijds uit elektronisch beschikbaar gestelde "papieren" documenten en anderzijds uit kennis van ervaren medewerkers.

Uit ervaring van de Koninklijke Luchtmacht blijkt dat de onderhoudsmonteurs ongeveer 5-6 jaar aan in een vliegtuigprogramma mee doen en dan vervangen worden door een nieuwe generatie monteurs. Ervaringen van opleidingsinstellingen is dat studenten met de huidige onderhoudsinformatie niet goed overweg kunnen en er is ook geen drive om die informatie te willen begrijpen.

Daarnaast worden de systemen die onderhouden worden steeds gecompliceerder, waardoor het niet mogelijk is voor de onderhoudsmonteur om totaal inzicht in de systeemoperatie te krijgen. Opleidingen vinden vaak plaats kort nadat een systeem of voertuig operationeel is terwijl de fouten vaak aan het einde van de levensduur optreden, op een moment waarop de kennis van de opleiding weggezakt is.

Deze constateringen leiden tot de noodzaak voor presentatie van onderhoudsinformatie die past bij de huidige jongere generatie die opgegroeid is met geavanceerde elektronische systemen zoals games, telefoons en PC's. Opzoeken van informatie gebeurt niet meer in de bibliotheek maar met behulp van Google. Dit project is gericht op de ontwikkeling van een nieuwe manier om onderhoudsdata te presenteren en te de activiteiten te sturen, zodat de onderhoudskosten gereduceerd worden.

Project doel:
Het doel van dit project is het ontwikkelen van een demonstratiemodel voor het presenteren van onderhoudsdata dat eenvoudig de benodigde informatie aan het onderhoudspersoneel presenteert, passend bij de belevingswereld van de onderhoudsmonteurs.

Doel is dat hierdoor de procedures voor onderhoud eenduidig en compleet gepresenteerd worden, zonder dat er zoekactiviteiten nodig is. Dit leidt tot een efficiënt, sneller en onderhoudsproces waardoor de kosten van onderhoud verder gereduceerd worden. De aandacht vanuit het project is gericht op vliegtuig- en automobielindustrie, maar zal ook toepasbaar zijn in ander industrietakken, zoals de procesindustrie. De opgedane kennis binnen dit project zal door middel van presentaties, demonstraties en publicaties verder gedissemineerd worden.

Hoe dit doel te bereiken?
Het project is onderverdeeld in 6 werkpakketten. Aan een werkpakket nemen meerdere projectleden deel en één ervan is werkpakket leider. De werkpakket leider is verantwoordelijk voor de coördinatie van alle activiteiten binnen dat werkpakket. De werkpakket leiders rapporteren aan de projectleider.

De werkpakketten:

  • 1. Detailontwikkeling van visie onderhoud van de toekomst
  • 2. Visualisatie van onderhoudsdata
  • 3. Diagnose van storingen
  • 4. Modificatie van installaties
  • 5. Validatie van interactie tussen componenten
  • 6. Ontwikkeling demonstratiemodel

Structural health monitoring for composite materials

Total Maintenance

Korte projectomschrijving:Stalen buizen en apparatuur staan bloot aan veel natuur en fabricage omstandigheden. Bescherming is een noodzaak. Dit project kijkt naar een nieuwe methode van bescherming waarbij slechts één keer in de 30 jaar onderhoud nodig is. Hiervoor wordt een pilot onderhoud gestart waarbij stalen buizen en apparaten zowel aan de binnen- als buitenkant worden omwikkeld met UV uithardend polyester (als alternatief voor schilderen) én een hoge temperatuur coating. Daarnaast wordt het voorbehandeld met iceblasting.

Betrokken bedrijven, kennis- en onderwijsinstellingen: AVANS Hogeschool, CMP / Fibalite Continental, Delta Utility Services, DOW Benelux B.V., Fluor, Pro Industrial Automation, ROC West-Brabant Markiezaat College, Stichting Kennistransfer Centrum Bouw en Industrie, TechniWorks BV, Waterschap Brabantse Delta, Witteveen en Bos.

Over het project:

De meest gebruikte bescherming voor de vele duizenden kilometers buizen en leidingen in de conservatieve procesindustrie is verf. Verf wordt al vele jaren toegepast ondanks diverse nadelen zoals de arbeidsintensieve manier van aanbrengen. Sinds kort is er een nieuwe en concurrerende manier om de leidingen en buizen te beschermen. Er wordt daarbij met glasvezel versterkte coating om buizen en leidingen gewikkeld. Tot op dit moment is er geen faciliteit om die UV uithardende polyester fabrieksmatig en op de plaats waar de leidingen gebruikt worden aan te brengen. Dit project heeft tot doel om aan te tonen dat het beschermen van pijpen en leidingen met de polyester coating een kwalitatief beter en economisch interessante toepassing is. Er zal daarom een mobiele test faciliteit worden ontwikkeld en gebouwd die dat aan gaat tonen en op die manier een doorbraak zal forceren in de conservatieve proces industrie.

Ontwikkeling en bouw van een productiefaciliteit op commerciële basis is op dit moment niet mogelijk vanwege de conservatieve en afwachtende houding in de procesindustrie. Pas nadat er bewijs is geleverd kan deze innovatie doorbreken.

De met het polyester beschermde pijpen en leidingen hoeven pas na minimaal 30 jaar gebruik worden onderhouden. Op die manier biedt dit project een significante bijdrage een de wens om minder en betere maintenance.

De te ontwikkelen machine bestaat op dit moment nog niet. In Engeland is er op dit moment een machine die met het materiaal pijpen coat maar die machine is gebouwd met andere uitgangspunten en kan niet worden gebruikt voor de te ontwikkelen test faciliteit. De kennis die beschikbaar is in Engeland zal wel ingezet worden voor de realisatie van dit project.

UAS (Unmanned Aerial Systems)

uasTijdens de "Future of Maintenance" World Class Maintenance bijeenkomst van 16 juli 2009 georganiseerd door de NVDO, MCC/Rewin en de gemeente Bergen op Zoom is door de bedrijven het idee naar voren gekomen om fabrieken, procesinstallaties en infrastructuur te monitoren op storingen en mutaties met behulp van onbemande vliegtuigen.

Dit projectidee "Monitoring from the sky" kreeg in het voorjaar van 2010 een impuls doordat vanuit het Woensdrecht-cluster en het Program Office World Class Maintenance een nieuw projectidee ontstond rondom onderhoud en het verhogen van betrouwbaarheid van onbemande vliegtuigen. Door beide project ideeën te combineren werd de basis gelegd voor het nieuwe project "UAS (Unmanned Aircraft Systems) Maintenance Valley".

UAS Kenniscentrum
Doel is om een specifiek UAS Kenniscentrum op te zetten (waarin zowel onderzoekscentra, instellingen en bedrijven in participeren). Daarnaast zal het Kenniscentrum 'motor' zijn achter de verdere innovatie en ontwikkelingen van bijvoorbeeld Maintenance, Repair en Overhaul (MRO); elektronica; assemblage; onderdelen ontwikkeling en productie; opleidingen; certificering; logistiek; voorlichting; kennisverspreiding en publiciteit.

Er is op UAS gebied nog weinig activiteit in Nederland, maar de benodigde kennis en kunde is er wel. Middels het UAS Maintenance Valley project kan deze knowhow geclusterd worden en kan de Nederlandse luchtvaart sector gereed worden gemaakt voor de toenemende nationale en internationale vraag naar UAS capaciteit.

Binnen dit project is het mogelijk om de aanwezige kennis en vaardigheid in te zetten voor de ontwikkeling van innovatieve nieuwe producten, processen en diensten. Het kenniscentrum wil ook samen met Defensie innovatieve oplossingen zoeken en ontwikkelen. Jaarlijks zal het Kenniscentrum een 'Roadmap UAS' produceren waarin de stand van zaken en technieken worden weergegeven, als ook de vooruitgang, ontwikkelingen en mogelijke hindernissen die nog genomen dienen te worden. Zo is de jaarlijkse voortgang te monitoren. De UAS worden gezien als vliegtuigen (officieel noemen we het "luchtvaartuigen"). Aangezien er wel regelgeving is voor vliegtuigen, is het nog niet duidelijk of innovatieve ontwikkelingen dezelfde (TRL) fases moeten doorlopen als technische ontwikkelingen binnen de normale vliegtuig-industrie.

De inbreng van alle bestaande kennis & kunde is relevant voor het realiseren van nieuwe juiste regelgeving voor de UAS. Het realiseren van deze nieuwe regelgeving is een taak van de overheid, maar zonder de kennis & kunde van diverse marktpartijen zal dit nooit tot stand komen. Dat dit een lastig traject zal zijn wordt zeker niet ontkent, maar het al een hele innovatie om alle kennis te bundelen zodat op basis daarvan een correcte regelgeving tot stand kan komen. Zodra de nieuwe regelgeving duidelijk is, is het voor nieuwe bedrijven makkelijker om in het marktsegment in te stappen omdat de onduidelijkheden (risico's) grotendeels zijn weggenomen. Het monitoren vanuit de lucht (via een beweegbaar UAS) wordt momenteel niet toegepast als maintenance tool. Dit is juist het innovatieve aspect om dit wel voor elkaar te krijgen.

UAS Innovatie programma
Daarnaast is het doel om innovaties door te voeren waarmee nieuwe UAS gerelateerde producten en diensten kunnen worden doorontwikkeld. Door koppeling van deze bedrijven aan Woensdrecht zal dit project een bijdrage leveren om Maintenance Valley als banenmotor voor Zuidwest Nederland.

Concreet zal er een bedrijf worden opgericht nav dit project wat gevestigd wordt op Woensdrecht. Naar verwachting zal dit bedrijf over enige jaren werk kunnen bieden aan zeker 30 FTE's.

Sleutelbegrippen binnen het UAS

  • UAS kenniscentrum
  • Innovatie in betrouwbaarheid (MRO)
  • Innovatie in vision en sensor techniek
  • Knowhow clustering rondom UAS
  • Onderscheidend in markt en productontwikkeling
  • Samenwerking bedrijven & instellingen
  • Innovatieve bedrijfsactiviteiten / UAS diensten

Windturbine Maintenance

Hoofddoelstelling van het project is ontwikkelen, demonstreren en optimaliseren van clustering van kennis en kunde op gebied van onderhoud van windturbines, gekoppeld aan 'World Class' onderhoudsconcepten, samenwerkingsvormen en business cases, met een zwaartepunt in Zuidwest Nederland.

Het project kan rekenen op een grote interesse van bedrijven, onderwijs- en kennisinstellingen en overheden. De meeste deelnemers komen uit de regio Zuid-West Nederland. Het project kent echter ook deelnemers uit Vlaanderen en de rest van Nederland, daar waar deze toegevoegde waarde voor het project kunnen leveren.

Daarnaast zal in het kader van het project actief kennis worden uitgewisseld met relevante internationale organisaties en initiatieven. Tenslotte zal via deelname van de Nederlandse Vereniging voor Doelmatig Onderhoud (NVDO) en het Dutch Institute for World Class Maintenance (DI-WCM) actief worden gezocht naar partijen die het cluster kunnen versterken en zal ook Nederland breed kennis worden gedeeld. De totale projectkosten bedragen € 1.679.575,- waarvan € 664.792,- (40%) zal worden gedragen door de 27 deelnemers.

Aanpakarthitbongkot riser hose 3high res

Tijdens verschillende cluster bijeenkomsten gefaciliteerd door Economische Impuls Zeeland, NV. Rewin en NV. BOM heeft de sector (asset owners, onderhouders, kennisinstellingen, scholen, specialisten) aangegeven dat er een grote behoefte bestaat om via pragmatische weg concrete resultaten te behalen. Men is van mening dat hiervoor reeds zeer veel, weliswaar versplinterde, kennis aanwezig is, en dat een doorbraak op het gebied van windturbine onderhoud met name te realiseren is via pilots, doorontwikkeling, demonstratie en optimalisatie.

Om tot 'World Class' onderhoudsconcepten, samenwerkingsvormen en business cases te komen, dient een 6-tal samenhangende werkpakketten te worden uitgevoerd, aangevuld met een project management werkpakket.


WP1 - Wind Turbine Maintenance Knowlegde Base
(100% gebiedsgericht)

Doelstellingen:

  • Inventariseren kennis en kunde in Nederland
  • Uitwisselen kennis en ervaring (ook vanuit buitenland, cross-sectoraal en met andere relevante initiatieven als het DOWES project in Den Helder en het recent gestarte project in Vlaanderen)
  • Verzamelen marktgegevens voor het opzetten van een 'best practices solutions' database.


WP2 - Pilot Condition Based Maintenance
(50% industriële ontwikkeling en 50% experimentele ontwikkeling)

Doelstellingen:

  • Via een pilot een Condition Based onderhoudsconcept demonstreren en optimaliseren, waarbij uiteenlopende elementen en technologieën van windturbineonderhoud bijeen worden gebracht.
  • Het cluster op de markt profileren als aantrekkelijke onderhoudspartner


WP3 - Pilot Windturbine Maintenance Cluster
(100% gebiedsgericht)

Doelstelling:

  • Valideren van nieuwe samenwerkingsvormen en optreden als werkend cluster voor onderhoudsvraagstukken en -activiteiten


WP4 - Business Case Performance Based
(100% gebiedsgericht)

Doelstelling:

  • Definiëren van Performance Based onderhoudsconcept en bijbehorende business case, zodanig dat een win-win business case voor asset owner en een onderhoudscluster ontstaat


WP5 - Kennisdisseminatie
(100% gebiedsgericht)

Doelstellingen:

  • Kennis en ervaringen vanuit het project delen zodat een bijrage wordt gekeverd aan 'World Class Maintenance' ambitie van Nederland.
  • Werken aan de profilering van het 'Windturbine Maintenance Cluster' , waar mogelijk versterken, in samenwerking met organisaties als NWEA en NVDO.


WP6 - Projectmanagement


Doelstelling:

  • Voeren project management, inhoudelijk en administratief

Condition Based Maintenance

Lees hier meer over CBM

WCM Innovatieprojecten (WCM-IP)

Achtergrond

wcm-innovatieprojectenHet initiatief van de partijen tot het WCM-IP project is ontstaan uit de ontwikkeling van het nieuwe World Class Maintenance programma (WCM). Onder de vlag van WCM is een Masterplan voor de periode 2010-2014 ontwikkeld, onder de titel "Creating a sustainable business together". Dit masterplan toont aan dat de ontwikkeling van de piek in de regio Zuidwest Nederland naar internationale hotspot voor hoogwaardig technologisch onderhoud kan worden versneld en opgeschaald.

Inmiddels is duidelijk dat deze ontwikkeling voor de regionale industrie dusdanig belangrijk is dat deze opschaling nu al start, vooruitlopend op de precieze invulling van de middelen in het WCM programma. De WCM Roadmap 2010-2014 omschrijft duidelijk wat de economische betekenis en potentie van maintenance, maar ook wat er moet gebeuren om die te benutten. In het WCM-IP project staan uitbouw van het cluster met nieuwe deelnemers en nieuwe onderwerpen centraal. Daarmee wordt een belangrijke stap gezet naar de het realiseren van de landelijke maintenance hotspot.

Projectdoelstelling en deliverable

Voor de handhaving en versteviging van de internationale concurrentiepositie van het MRO cluster in Nederland, zijn kostenreducties in en prestatieverbeteringen door maintenance, repair en overhaul van complexe kapitaalintensieve systemen noodzakelijk. De projectdoelstelling van WCM-IP is door de partners derhalve als volgt geformuleerd:

De gezamenlijke kunde en professionaliteit op gebied van MRO van de projectpartners zodanig te vergroten dat zij hiermee op korte en langere termijn een substantiële bijdrage kunnen leveren aan de WCM hoofddoelstelling: "optimale beschikbaarheid van kapitaalgoederen, bij de laagste levensduurkosten".

Concrete deliverable van WCM-IP is een "Handboek voor MRO Optimalisatie" met daarin verwerkt de gedurende het project verworven kennis, inzichten en ervaringen. In het handboek zullen ondermeer blauwdrukken, richtlijnen en concepten worden opgenomen.

De projectresultaten komen in de eerste plaats beschikbaar voor de projectpartners. Maar de verworven kennis zal middels het "Handboek voor MRO Optimalisatie" ook beschikbaar worden gesteld aan andere partijen, via de website van WCM.

Werkpakken structuur

Het WCM Masterplan 2010-2014 benoemt zes onderling samenhangende speerpunten waarlangs WCM haar doelstellingen wil realiseren. Binnen het project WCM-IP worden de speerpunten van de WCM Innovatieagenda geadresseerd in vijf werkpakketten:

WP

WCM speerpunt

Werkpakket doelstellingen

WP1

Uitvoering onderhoud en personeel

Hands on Tool Time (HoTT)

Ontwikkelen van kennis en een aanpak voor de verbetering van HoTT door inventarisatie van knelpunten, bepaling van richtlijnen, uitwerking van cases en verbeterplannen en vastlegging van de resultaten in een blauwdruk voor HoTT.

WP2

Onderhoudssystemen

&

Monitoring based maintenance

Conditiemonitoring en onderhoudsprocessen

Kennis en richtlijnen ontwikkelen om optimaal gebruik te kunnen maken van conditiemonitoring en om onderhoudgerelateerde informatiestromen en processen het beste vorm te geven, ten behoeve van lagere onderhoudskosten en grotere beschikbaarheid van technische installaties.

WP3

Onderhoudsbewust ontwerpen

Effectief toepassen van onderhoudsbewust ontwerpen

Ontwikkelen van ontwerprichtlijnen die bijdragen aan lagere kosten en grotere veiligheid van onderhoud van installaties in de gebruiksfase van hun levenscyclus, alsmede het in kaart brengen van de consequenties van onderhoudbewust ontwerpen op de business modellen voor MRO.

WP4

Fysische verschijnselen

Toepassing van fysische faalmechanismen in onderhoud

Inzicht vergroten inzake fysische faalmechanismen, ter verbetering van huidige en ontwikkeling van nieuwe onderhoudsconcepten, door het creëren van bewustzijn, opbouwen van kennis, bestuderen van cases en opstellen van generieke richtlijnen m.b.t. fysische faalmechanismen.

WP5

Groot onderhoud / stop management

Optimalisering van besluitvorming omtrent stops

Inzicht creëren in besluitvormingsparameters t.b.v. stopplannen voor onderhoud van grote installaties, door het creëren van bewustzijn, achterhalen en modelleren van parameters, case studies en richtlijnen voor een helder besluitvormingsproces.

Activiteiten in de werkpakketten

Werkpakket 1: Hands on Tool Time (HoTT)

1. Verkenning van HoTT kennis en onderzoek naar knelpunten bij pilot bedrijven.

2. Analyse van HoTT knelpunten en opstellen van individuele aanpak en richtlijnen.

3. Implementatie van individuele aanpak en richtlijnen.

4. Ontwikkeling van tool voor effectieve ToTT.

5. Vastlegging van de gevolgde aanpak, gehanteerde richtlijnen en best practices.

Werkpakket 2: Conditiemonitoring en onderhoudprocessen

1. Aanpak voor vertaling meetdata à onderhoudsinfo, incl. wetensch. voorverkenning.

2. Concept ontwikkelen voor info delen tussen fabrikanten en productiebedrijven.

3. Opstellen referentiemodel voor onderhoudsprocessen en info-overdracht voor CBM.

4. Inventarisatie stand van zaken in industrie, 'best practices' lessons learned.

5. Vastlegging van aanpak en resultaten in richtlijnen.

Werkpakket 3: Effectief toepassen van onderhoudbewust ontwerpen

1. Literatuuronderzoek naar de onderzoeksvragen.

2. Opstellen van implementatieplan voor onderhoudsbewust ontwerpen.

3. Beproeving van implementatieplan via 2 cases.

4. Toetsing en eventuele bijstelling van beproefde implementatieplannen.

5. Vastlegging van aanpak en resultaten.

Werkpakket 4: Toepassing van fysische faalmechanismen in onderhoud

1. Inventarisatie van voornaamste systemen en faalmechanismen, en selectie van cases.

2. Oplossingsrichtingen voor cases genereren, waarmee partijen zelf aan de slag gaan.

3. Uitwerken richtlijnen voor optimale benutting van kennis fysische faalmechanismen.

4. Uitwerken van (her)ontwerpmethoden en/of richtlijnen voor onderhoudaanpassingen.

5. Vastlegging van aanpak en resultaten.

Werkpakket 5: Optimalisering van besluitvorming omtrent stops

1. Analyse en uitwerking van voornaamste besluitvormingsparameters omtrent stops.

2. Bestudering van cases m.b.t. installaties aan de hand van Synthese Technology.

3. Combineren & modelleren van casestudieresultaten met besluitvormingsparameters.

4. Toetsing van modellering via representatieve praktijkcases van betrokken bedrijven.

5. Uitwerking en vastlegging van verkregen kennis en inzichten tot richtlijnen.

Betrokken partijen

Het project wordt uitgevoerd onder leiding van penvoerder/hoofdaanvrager Essent uit Geertruidenberg. In de samenwerking nemen verder deel: Bicore, Nederlandse Defensie Academie, Bosch Rexroth, Dow Chemical, Sitech, Sabic, Essent, Shell Moerdijk, Corus, Akzo, DSM, Gasunie, Logistiek Centrum Woensdrecht, NedTrain, PDM Groep, Stork AMS, Universiteit Twente, Stichting USPI, Koninklijke Marine, Wärtsilä en Stichting MEC.

betrokken_partijen

Meer informatie

Gerard Blom (Bicore), programmamanagement WCM-IP

Login