WCM-jaarevent ‘Opschalen in tijden van schaarste’
Hoe kunnen organisaties blijven groeien en vernieuwen wanneer mensen, middelen en materialen schaars zijn? Die vraag stond centraal tijdens het WCM-jaarevent ‘Opschalen in tijden van schaarste’, dat op 7 oktober in Nieuwegein plaatsvond. Zo’n 160 deelnemers kregen tijdens keynotes en workshops uiteenlopende oplossingen en praktijkvoorbeelden voorgeschoteld.
Hoe kun je als technologiebedrijf blijven groeien wanneer grondstoffen, capaciteit en middelen schaars zijn? Bij ASML vormt hergebruik van onderdelen een belangrijk deel van het antwoord, vertelt eerste keynote spreker Marjolein Verhoeven. Zij is verantwoordelijk voor een afdeling die zich richt op het herbruikbaar maken van producten.
Verspilling terugdringen
Maar liefst 95 procent van alle machines die ASML sinds de oprichting in 1984 produceerde, is nog bij klanten in gebruik. Dat levert een enorme stroom aan onderdelen op die worden vervangen, gerepareerd of opnieuw ingezet. Inmiddels hergebruikt ASML jaarlijks voor 1,8 miljard euro aan onderdelen, maar tegelijkertijd verdwijnen nog altijd waardevolle materialen in de afvalstroom. Door al bij het ontwerp rekening te houden met reparatie en hergebruik, wil ASML verspilling verder terugdringen. Dat levert niet alleen kostenbesparingen en CO₂-reductie op, maar vermindert ook de afhankelijkheid van internationale supply chains.
Organisatorische aard
Tijdens de aansluitende vragenronde blijkt dat de grootste uitdaging niet zozeer technisch van aard is, maar vooral organisatorisch. Hoewel de businesscase voor hergebruik vaak overtuigend is, ontbreekt het medewerkers regelmatig aan tijd om nieuwe werkwijzen en afspraken met leveranciers te ontwikkelen, legt Verhoeven uit. Bovendien moeten zowel de eigen organisatie als klanten accepteren dat een hergebruikt onderdeel er soms anders uitziet dan een nieuw exemplaar, terwijl de functionaliteit gelijkwaardig is. ASML onderzoekt daarom nauwkeurig de betrouwbaarheid en levensduur van hergebruikte onderdelen. Die analyses leveren bovendien nieuwe inzichten op in faalmechanismen, waarmee ook de kwaliteit van nieuwe producten kan worden verbeterd.
Een compleet nieuw energiesysteem

Ook bij de ontwikkeling van een waterstofeconomie vormt schaarste een belangrijke uitdaging. Waterstof kan een rol spelen in de energietransitie, maar daarvoor moet Nederland veel meer doen dan alleen elektrolysers bouwen, betoogt Jörg Gigler van Topsector Energie. Hij schetst een ingrijpende systeemverandering waarbij duurzame elektriciteitsproductie, waterstofproductie, transport, opslag en industriële toepassingen op elkaar moeten worden afgestemd. Nederland heeft daarvoor volgens Gigler goede uitgangspunten, waaronder het potentieel van windenergie op de Noordzee en de bestaande aardgasinfrastructuur. Ongeveer twee derde van het toekomstige landelijke waterstofnetwerk kan worden gerealiseerd door bestaande gasleidingen te hergebruiken. Toch verloopt de ontwikkeling moeizaam. Gigler noemt uiteenlopende vormen van schaarste, waaronder netcapaciteit, ruimte, technisch personeel en financiële middelen. Het grootste probleem is volgens hem echter de achterblijvende vraag naar groene waterstof, die vooralsnog duurder is dan het fossiele alternatief.
Nieuwe kansen en uitdagingen
De ontwikkeling van een waterstofeconomie biedt tegelijkertijd nieuwe kansen en uitdagingen voor de maintenance-sector. Gigler benadrukt dat waterstof geen universele oplossing is: directe elektrificatie verdient waar mogelijk de voorkeur vanwege het hogere rendement. Maar voor toepassingen waar elektrificatie moeilijk of onmogelijk is, kan waterstof uitkomst bieden. Ook de onderhoudsbehoefte van elektrolysers verdient aandacht. Omdat de productie van duurzame elektriciteit fluctueert, moeten elektrolysers flexibel kunnen worden ingezet. Wat betekent voortdurend op- en afschakelen voor de levensduur van componenten en de onderhoudsbehoefte? Fabrikanten claimen dat hun installaties hiertegen bestand zijn, maar volgens Gigler moet de praktijk dat nog aantonen. Innovatie blijft daarom noodzakelijk om waterstoftechnologie goedkoper, efficiënter en robuuster te maken.
Zelf aan de slag
Naast de keynotes biedt het WCM-jaarevent volop ruimte om zelf aan de slag te gaan. Tijdens de workshoprondes buigen deelnemers zich over actuele vraagstukken rond maintenance en assetmanagement. Zo verkennen ze de mogelijkheden van humanoids, oftewel mensachtige robots. Van beveiligingstaken tot het inspecteren van drukvaten: de potentiële toepassingen zijn divers. Volgens de aanwezige robotica-experts liggen er zeker kansen, maar is het verstandig om met relatief eenvoudige taken te beginnen. Voordat humanoids op grote schaal kunnen worden ingezet, is nog veel onderzoek en samenwerking nodig.
In de Asset Management Game kruipen deelnemers in de huid van asset owners, asset managers en service providers. De opdracht: bepaal vanuit je eigen rol de beste onderhoudsstrategie voor een offshore windpark. Dat blijkt gemakkelijker gezegd dan gedaan. De belangen en inzichten lopen uiteen en er wordt stevig gediscussieerd voordat de groepen tot een gezamenlijke keuze komen.
Ook de derde workshop draait om het uitwisselen van standpunten. In een interactieve debatsessie verdedigen Jan Braaksma en Arjan de Jong, beiden verbonden aan de Universiteit Twente, telkens een verschillende visie op een stelling. Onderwerpen als Prognostic Health Monitoring versus de noodzaak van een FMEA, het belang van een ontwerpvisie bij het inrichten van werkstromen en de afweging tussen langetermijnplanning en flexibiliteit zorgen voor levendige discussies met de zaal.
In een vierde workshop staat de vraag centraal hoe opschalen in tijden van schaarste kan verschuiven van technology push naar demand pull. Na een introductie in het onderwerp door Ruben Ogink en een demonstratie van de inframarktplaats door Thijs Verbeek bedenken deelnemers in kleine groepen een persona. Dat kan een assetbeheerder met een vraag zijn, of een marktpartij of kennisinstelling met een aanbod. Wat is voor die persona de aanleiding om kennis van anderen te zoeken, en onder welke voorwaarden doet hij of zij mee? De uitkomsten laten zien dat verschillende gebruikers met heel andere redenen naar de marktplaats komen, maar ook andere voorwaarden hebben om mee te doen. Marktpartijen doen alleen mee als hun intellectueel eigendom goed geborgd is. Assetbeheerders vinden het juist belangrijk dat de marktplaats een vaste plek krijgt in hun reguliere werkproces.
Schaarste vraagt om anders organiseren
Niet alleen geld, materialen en technisch personeel zijn schaars bij ProRail. Ook de beschikbare tijd om onderhoud uit te voeren, staat steeds verder onder druk. Dat maakt de opgave voor de spoorbeheerder bijzonder complex, vertelt Mirjam Heuvelman, directeur Procurement in haar keynote. Het Nederlandse spoor behoort tot de drukst bereden netwerken van Europa, terwijl de infrastructuur veroudert en technische storingen toenemen.
Beperkte tijd
Een belangrijk knelpunt is de beperkte tijd waarin onderhoudsploegen daadwerkelijk aan het werk kunnen. Tijdens een reguliere nachtdienst kunnen monteurs vaak pas rond half één het spoor op, terwijl de werkzaamheden rond vier uur alweer moeten worden afgerond. Ook het tekort aan specialistische monteurs baart zorgen. Zo is 43 procent van de monteurs die verantwoordelijk zijn voor essentiële beveiligingsinstallaties ouder dan vijftig jaar. ProRail zoekt daarom naar mogelijkheden om werkzaamheden anders te verdelen, opleidingstrajecten voor zijinstromers te versnellen en schaarse specialistische kennis effectiever in te zetten.
Traditionele relatie doorbreken
Een belangrijke verandering is de samenwerking met aannemers. In nieuwe contractvormen schrijft ProRail niet langer gedetailleerd voor wanneer welke werkzaamheden moeten worden uitgevoerd, maar bepalen opdrachtgever en opdrachtnemer gezamenlijk hoe de beschikbare capaciteit het beste kan worden benut. Twee grote contracten volgens deze aanpak lopen inmiddels anderhalf jaar en leveren volgens Heuvelman positieve ervaringen op. “We gaan een traditionele opdrachtgever-opdrachtnemerrelatie doorbreken. Dat is echt ingewikkeld, maar het is in mijn optiek wel een manier om het vraagstuk van schaarste te doorbreken.”
Circulariteit en digitalisering
Ook circulariteit en digitalisering bieden kansen. ProRail onderzoekt hoe materialen uit de bestaande infrastructuur opnieuw kunnen worden ingezet en hoe sensoren en data kunnen helpen onderhoud gerichter te plannen. Zo kan glasvezel langs het spoor worden gebruikt om trillingen te meten en daarmee inzicht te krijgen in de conditie van de infrastructuur. Tijdens de vragenronde komen ook robotisering en automatisering ter sprake. Technisch is al veel mogelijk, maar regelgeving, veiligheidseisen en bestaande werkwijzen vertragen de toepassing. De uitdaging is volgens Heuvelman dan ook niet zozeer om nieuwe technologie te ontwikkelen, maar vooral om die daadwerkelijk in de dagelijkse onderhoudspraktijk te integreren.
‘Er bestaan geen technische vraagstukken. Er bestaan alleen technisch-sociaal-economische vraagstukken.’
Maintenance: het boek
Dat de uitdagingen in maintenance niet uitsluitend technisch van aard zijn, onderstreept WCM-directeur Henk Akkermans tijdens de presentatie van het nieuwe boek Maintenance: Smart and Sustainable Solutions All Along the Life Cycle. Het werk telt 21 hoofdstukken en is tot stand gekomen door samenwerking tussen meer dan dertig auteurs uit verschillende disciplines en kennisinstellingen. Naast engineering en informatietechnologie komen ook economie, management, organisatiecultuur en risicomanagement aan bod. “Er bestaan geen technische vraagstukken. Er bestaan alleen technisch-sociaal-economische vraagstukken”, stelt Akkermans. Daarmee benadrukt hij dat technische problemen vaak samenhangen met organisatorische, financiële of culturele factoren.
Vernieuwing is noodzakelijk
De spoorsector vormt de rode draad door het boek: ieder hoofdstuk bevat een praktijkcasus en voorbeelden uit deze sector. Volgens Akkermans is vernieuwing noodzakelijk, omdat de manier waarop onderhoud wordt uitgevoerd in veel opzichten nog sterk lijkt op die van 25 jaar geleden. Het boek moet daarom niet alleen kennis bundelen, maar ook een basis vormen voor onderwijs en trainingen. De digitale uitgave wordt gratis beschikbaar gesteld via Tilburg University Press. Tijdens de bijeenkomst overhandigt Akkermans een preview aan Mirjam Heuvelman van ProRail.

Voortzettingsvermogen
“Het conflict wacht niet tot wij klaar zijn.” Met die waarschuwing onderstreept luitenant-kolonel Roberto Joannes, hoofd Business Development bij het Commando Lucht- en Ruimtestrijdkrachten, de noodzaak om de onderhouds- en logistieke capaciteit van Defensie snel te vergroten. Na decennia van bezuinigingen moet de krijgsmacht zich voorbereiden op een mogelijk grootschalig conflict. Daarbij draait het niet alleen om de directe inzetbaarheid van wapensystemen, maar vooral om het voortzettingsvermogen: hoe lang kan Defensie die inzet volhouden?
Strategische samenwerking
Joannes ziet strategische samenwerking met de industrie als een deel van de oplossing. “Het gaat niet om bezitten, maar om beschikken wanneer wij het nodig hebben.” Op Vliegbasis Woensdrecht werkt de luchtmacht al nauw samen met onder meer Boeing en andere industriële en kennispartners. Een aansprekend voorbeeld is de samenwerking met KLM. In een pilot worden onderhoudsmedewerkers van de luchtvaartmaatschappij opgeleid om ook werkzaamheden aan militaire helikopters te kunnen uitvoeren. Bij succes wil de luchtmacht een pool van vijftig tot zestig onderhoudsspecialisten beschikbaar krijgen die bij een noodzakelijke opschaling kunnen worden ingezet.
Militair ondernemerschap
Volgens Joannes vraagt deze aanpak om een andere mindset binnen Defensie. Hij pleit voor ‘militair ondernemerschap’, waarbij medewerkers eigenaarschap tonen, kansen herkennen en bereid zijn om binnen aanvaardbare risico’s besluiten te nemen. “We moeten anders denken, durven en doen.” Ook strategische autonomie speelt een belangrijke rol. De luchtmacht wil voor kritieke onderhoudscapaciteiten minder afhankelijk worden van fabrikanten buiten Europa. Dat betekent niet dat Nederland alles zelf moet kunnen, maar wel dat Europese landen gezamenlijk moeten bepalen welke kennis, faciliteiten en MRO-capaciteiten zij beschikbaar willen hebben.
Tijdens de Q&A krijgt Joannes de vraag of de krijgsmacht klaar is voor een grootschalig conflict. Zijn antwoord is opvallend helder: “Wij zijn niet klaar.” De luchtmacht kan volgens hem wel het directe gevecht aangaan, maar beschikt nog niet over voldoende voortzettingsvermogen om een langdurig conflict vol te houden. Juist daarom zijn nieuwe vormen van samenwerking tussen Defensie en de civiele industrie volgens Joannes noodzakelijk.
Met de keynote van Joannes komt het jaarcongres ten einde. Tijdens de afsluitende netwerkborrel wordt nog volop nagepraat.
Foto’s: PHOTEDby Edwin Wiekens




























